Bomen gieten hun loof van
koper uit
over de troebele stilte
van het kanaal;
een wereld van grillig
kolkende steen kruipt
op de brug en geeft je
een teken van zijn verhaal.
Half onderdrukt een zucht;
er valt een traan,
een spel slechts van de
lucht die oud geworden is
als beeld en brug, het
water onderaan
en zelfs het hart in zijn
beklemde duisternis.
Een engel duwt de wijzer
van de klok
en rijgt, om de minuut,
in zijn droefgeestigheid
de kralen tot een krans:
die van zijn lot
halfweg lucht en duizendvoudige
eenzaamheid.
De brakke wateradem is ver
weg.
Heimwee hult in dichte
nevel elk moment.
Brugge droomt: een spookschip
is aangelegd
terwijl ze tastbare schepen
niet eens meer kent.