Het vlees wil vlees
AUSIÀS MARCH
“Er waren te Valencia geen
twee geliefden zoals wij. Van ‘s morgens
tot ‘s avonds beminden
wij elkaar mateloos.
Daar denk ik aan terwijl
je wasgoed te drogen hangt.
Jaren, vele jaren gingen
voorbij; er is veel gebeurd.
Soms word ik nog plots
door die wind of liefde gegrepen
en dan rollen wij over
de grond tussen omhelzing en kussen.
De liefde is voor ons niet
als een lieftallige gewoonte,
als een vreedzaam bedrijf
van plichtpleging en weefsels
(de heer Lopez-Pico moet
het ons maar vergeven).
Eensklaps ontwaakt ze,
als een oude stormwind
en gooit ons beiden ter
aarde, verenigt ons en jaagt ons
verder. Soms verlangde
ik wel naar een fatsoenlijke liefde
met de platendraaier op
gang terwijl ik je vluchtig kuste,
nu eens op je schouder,
dan weer op een oorlel.
Onze liefde is echter een
woeste, ongeremde liefde
en wij zijn bezeten van
het bitter verlangen naar aarde
en houden van het rampetampen
tijdens het kussen en het krabben.
Wat doe je eraan? Ik weet
het: het is erg triviaal.
Wij kennen Petrarca niet
en vele dingen kennen wij niet
Net zo min kennen wij Estances
van Riba noch de Rimas van Bécquer.
Daarna, als wij zomaar op
de grond liggen, dringt het
tot ons door dat wij platvloers
zijn, dat dit niet hoort,
dat dit niet past bij onze
leeftijd, enzovoort.
Er waren te Valencia geen
twee geliefden zoals wij,
want geliefden zoals wij
worden er weinig geboren.”