J. V. Foix
LA IL·LUSTRACIÓ POÈTICA METROPOLITANA & CONTINENTAL
Plurilingual Anthology of Catalan Poetry
Nederlands

 
J. V. Foix
(Sarrià, 1894 – Barcelona, 1987)


DE GELIEFDEN

¯













 
 

DE GELIEFDEN

 

Ik ken zeeën die slechts weinigen gezien hebben. Zij
liggen voorbij de uiterste grenzen van de blauwachtige
zeeën die wij doorkruisen, doorsnuffelen en
vervuilen. Alsof het water dat gefilterd wordt door
holten, aders of reten in de rotsen waarin het zich
bevindt en die het tegenhouden, inperken en omsluiten
opnieuw verschijnt in een verafgelegen ononderzochte
verlengenis van onze planeet na door ik weet niet welke
hel geraakt te zijn. Het duikt op, rustig of onstuimig,
rood, ingekapseld door rode einders onder een erg laag
hemelgewelf. Als deze zeeën onder de druk van nieuwe
vloedstromingen soms oprijzen, slepen zij mannen en
vrouwen mee die robuust en haast atletisch als reuzen
uit vervloden tijden paren vormen, die heerlijk zijn in
hun lijden en met beheerste gebaren trachten zich
drijvende te houden op de rode brij en nu eens
verdwijnen alsof zij verdronken waren en dan weer
opduiken terwijl zij hun geloof en hoop uitschreeuwen
zoals zij doen die hun dood tegemoet gaan. Alsof deze
heerlijke en onovertroffen paren onderworpen waren aan wat mij
een verschrikkelijk noodlot leek.
Niet zo lang geleden zag ik er op een dag zo drie gestaltenparen
opdoemen in haast één enkele verschijning. Zij richtten
zich hoog en krachtig op alsof zij een vast
toevluchtsoord ontwaarden. Een ontzaglijke, helse
branding sleurde echter rotsen en zand mee en de drie
paren gingen in een innige omhelzing en met een glimlach
op de lippen tragisch ten onder. Slechts hun
spookachtige schaduw bleef ronddrijven als een gewaad
van zonneslierten. Het zijn de geliefden, zei iemand tot
mij die mij terzelfdertijd terugtrok van het uiterste
punt van het eiland van waar ik het waagde toe te
kijken. Ik herinnerde mij Hero en Leander; maar dezelfde
stem, die doordrongen was van de waanzin van water en
vuur, gebood mij op besliste toon: Kom hier niet meer
terug. Het is niet goed de dromen op te rakelen. Je kan
er plots bij doodvallen. Op een andere dag had ik
tijdens een lange tocht, zoals ik die naar gewoonte
ondernam elke vorm van vasteland achter mij gelaten
en was tot aan de grenzen van het ijs geraakt. Een stem
in mij had mij echter gewaarschuwd om nooit de limiet
van de kennis te overschrijden waar filosofen,
kerkleraars en theologen het niet eens worden en zich
eindeloos verliezen in genietingen waar geliefden
zich hartstochtelijk aan overleveren.

.


Translated by Bob de Nijs
“De koele hoeken en kanten van de schaduw”, Point, 19 (1990).

¯