De tuinen der duisternis
die wijd openstaan
ontkennen met de vangst
van maanvogeltjes
de slapeloze onbezonnenheid
van alle verloren katten.
De klauwen leveren voordeel
op, spiegels van het feest,
scherprechters van het
lied. De haren rijzen te berge
als het mauwen weerklinkt
van deze woeste monsters.
Als ze met hun addertong
de stilte zitten te likken,
laten ze er het zweet van
slijmerig speeksel op achter.
Maak mij maar af, laat het
ogenblik van genot
maar vergeefs komen, wild
water uit de bron,
dolk bestemd voor de spiegel.
Vaag weet ik dat er
geen redding is voor mij,
huivering van blinde nevel,
opengereten nacht.