Wat krijgen wij van het
leven, wat krijgen wij meer dan een
korte, half uitgedoofde
vlam,
een onbeantwoorde, dode
vraag
die in de leegte wegglijdt?
Wij weten niets
over wat er zich aan de
gevaarlijke grens
van de onzekerheid bevindt
die ons kastijdt,
het aanhouden van de immense
nevel,
grijs, onderstellend, oneindig
licht.
Bij avondval ervaart het
geloof
de tederheid van het hemels
denkbeeld als machteloos,
als droom van welwillende
hoop.
Mij pijnigt zoveel duisternis,
zoveel tekort
ondanks de verspreiding
van schoonheid
die de cosmische harmonie
ons biedt.