Corpore composito J. C.
Eigenaardige bloemen die
ik vond
op de oever van de slapeloosheid:
windgekrijs en diamanten
van schuim
die blinken in de zon.
Ik zag het leven, de waanzinnige,
met het gebaar van de zee,
er zich mee kronen.
Laat ik het maar niet binden
–bovenop de golf
houdt het schuim het langer
vol– laat het vrij blijven,
alleen, met verwaaid haar,
bovenop de rotsen,
ontembaar.
Ik peil de diepte waar
het ten slotte
zal in neerstorten en in
kreten zal uiteenspatten.